Passief meedampen: reden tot zorg?

Reactie op rapport RIVM “Gezondheidsrisico’s van e-sigaretten voor omstanders”

Het RIVM heeft op 5 juli eindelijk haar onderzoek naar passief meedampen gepubliceerd met de titel “Gezondheidsrisico’s van e-sigaretten voor omstanders”.  Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van Staatssecretaris van Volksgezondheid Van Rijn, om te bezien of er noodzaak is tot het instellen van een wettelijk dampverbod, gelijk aan het rookverbod.

Het rapport is in het Nederlands, maar er is ook een Engels gedeelte dat veel uitgebreider ingaat op de gebruikte methoden en een veel diepere analyse geeft van de stoffen die zijn geanalyseerd en wat de mogelijke risico’s zijn voor gebruikers en omstanders.

Publiekssamenvatting: onnodige paniekzaaierij

De publiekssamenvatting is het deel dat door de media is en wordt geciteerd, de meeste journalisten nemen immers niet de moeite om verder te lezen. En politici en beleidsmakers lezen persberichten, geen onderzoeksrapporten. Een heel belangrijk stukje tekst dus in onze ogen.

Het citaat “Bij gebruik van nicotine-vrije vloeistoffen ontstaan deze effecten dus niet”, lijkt aan te sturen op een verbod op nicotine-houdende vloeistoffen. Daarnaast wordt totaal voorbij gegaan aan het feit dat dampen enorm veel minder schadelijk is dan roken en dat dit dus in nog grotere mate geldt voor meedampen versus meeroken. Er wordt in de publiekssamenvatting vooral nadruk gelegd op de schadelijke effecten die omstanders zouden kunnen ervaren wanneer ze blootgesteld worden aan damp, onnodig veel zelfs gezien de conclusie dat er eigenlijk geen enkele reden tot zorg is.

Update: Staatssecretaris Van Rijn heeft een eerste reactie op het rapport gegeven.

‘Topografie’ van dampen

Eerst heeft het RIVM onderzoek gedaan naar wat ze de “topografie van e-sigaret gebruik” noemen. De aanname is dat dampen heel anders werkt dan roken, en dat klopt ook. Zo is aangetoond dat dampers er veel langer over doen om een hijs te nemen van hun damper, dan een roker doet over een trekje van een sigaret. Volgens het RIVM komt dit omdat de hoeveelheid nicotine in damp anders is dan in rook. Dat is slechts een klein deel van een ingewikkeld verhaal. Dampers nemen vooral meer tijd omdat het verdampelement even nodig heeft om op temperatuur te komen en de e-vloeistof te verdampen. Wanneer een damper het korte trekje van een roker zou imiteren, zou er nauwelijks damp vrij komen. Er is nog een grote groep dampers die daarnaast ook nog rookt, de zogenaamde dual users. Het RIVM geeft aan dat 44% van de door hun onderzochte groep van dagelijkse dampers daarnaast ook nog minimaal één sigaret per week rookt.

Realistische worst-case scenario’s?

Om de ‘worst case’ resultaten te verkrijgen heeft het RIVM geput uit haar eerdere onderzoek naar de samenstelling van e-vloeistoffen. Daarvan hebben ze de meest ‘schadelijke’ genomen en gekeken of de eerder gemeten schadelijke stoffen ook voorkomen in de uitgeademde damp van 18 ‘ervaren’ dampers. Dat blijkt soms het geval te zijn, maar in concentraties die veel lager liggen dan wanneer inademingsdamp wordt gemeten. En natuurlijk ook in veel lagere concentraties dan bij sigarettenrook.

Om de gezondheidsrisico’s voor omstanders te kunnen berekenen heeft het RIVM 2 scenario’s bedacht. De deelnemers aan het onderzoek hebben alleen damp in een testopstelling uitgeblazen en hebben dus geen van de twee scenario’s daadwerkelijk uitgespeeld.

In scenario 1 treffen we twee dampers aan die een uur rijden in een ongeventileerde, afgesloten en kleine auto met een kind op de achterbank. Deze dampers nemen allebei om de 2 minuten 1 hijsje van hun damper en dat dus gedurende een uur, elk 30 hijsjes. Er wordt dus geen rekening mee gehouden dat:

  • één van de dampers de bestuurder moet zijn, die af en toe ingewikkelde handelingen moet uitvoeren en daardoor regelmatig een hijs moet ‘overslaan’;
  • in dit scenario de dampproductie in een ongeventileerde kleine ruimte van zodanige aard zal zijn, dat de kans groter is dat men tegen een boom rijdt dan dat men het kind eventuele schade toebrengt door het bloot te stellen aan uitgeademde damp.

Dit scenario is dus minder realistisch dan het RIVM doet voorkomen. Daarnaast is voor de blootstellingsrisico’s ervan uitgegaan dat dit scenario zich 7 dagen per week voordoet, waarbij het kind dus dagelijks een uur lang wordt blootgesteld aan de uitgeademde damp van twee stevig doordampende dampers in een kleine, afgesloten ongeventileerde auto. Afgezien van enige bezorgdheid over het voorkomen van TSNA’s in sommige e-vloeistoffen, trof het RIVM geen werkelijke schadelijke effecten voor het kind in dit scenario.

In scenario 2 deelt een damper een kantoor met een niet-dampende (en naar we aannemen, niet-rokende) collega. Ook hier gaat het om een afgesloten, maar wel iets grotere ruimte met weinig ventilatie. Reden waarom het RIVM in dit scenario een ‘zware’ damper voorstelt. Deze zware damper neemt gedurende 4 uur elke minuut 2 hijsjes van zijn damper en komt dus nauwelijks aan werken toe. Dit scenario speelt zich 5 aaneengesloten (werk)dagen per week af. Naast het gegeven dat onze ‘zware’ damper het zo druk heeft met dampen dat hij eigenlijk niet meer aan werken toekomt, zou een damper in een dergelijk scenario ook zoveel nicotine binnenkrijgen dat hij er zelf last van krijgt (duizeligheid, hoofdpijn en misselijkheid). Dat hij dit dus maar liefst 4 uur achter elkaar volhoudt lijkt dus zeer onwaarschijnlijk. Zelfs in dit scenario echter, is er volgens het RIVM weinig reden tot zorg voor de omstander.

Stoffen in uitgeademde damp en hun gezondheidseffecten

Polyolen

Het RIVM stelt dat de zogenaamde polyolen die vrij komen bij het dampen van een dampvloeistof “bij inademing irriterend zijn voor de luchtwegen”. Dampers noemen dit ‘throathit’ of ‘keelprikkel’ en dit is een gewenste sensatie door de meerderheid van de dampers, zeker wanneer men net begint met dampen. Vervolgens wordt aangenomen dat regelmatige irritatie  leidt tot schade aan de luchtwegen. Slechts zeer incidenteel rapporteren dampers een dergelijke schade aan de luchtwegen, hierbij moeten we niet vergeten dat dampers bijna altijd voormalige rokers zijn, zodat schade niet met zekerheid is toe te schrijven aan het dampen. Veel dampers dampen al jarenlang en rapporteren juist dat zij ‘meer lucht’ ervaren en veel minder of geen last meer hebben van benauwdheid, signalen die erop wijzen dat er zelfs na jarenlang dampen juist een verbetering aan de luchtwegen optreedt.

Propyleenglycol

In de uitgeademde damp trof men vooral propyleenglycol aan. Het RIVM concludeert dat als er al gezondheidseffecten optreden bij omstanders (irritatie aan ogen en luchtwegen), dan zullen deze zeer mild van aard zijn en waarschijnlijk geen blijvend effect hebben.

Dat propyleenglycol irriterend zou kunnen zijn voor omstanders is gebaseerd op proefdieronderzoek, waarbij de dieren (muizen) wekenlang, gedurende 24 uur per dag werden blootgesteld aan damp van propyleenglycol. Ook is onderzoek gedaan bij mensen die vanwege hun arbeidsomstandigheden veelvuldig worden blootgesteld aan zogenaamde ‘rook’machines, zoals deze in theaters of bij popconcerten worden gebruikt. De propyleenglycol die wordt gebruikt als drager voor de smaakstoffen en nicotine in e-vloeistof, is doorgaans tenminste ‘foodgrade’ of ‘pharmagrade’ wat iets zegt over de zuiverheid van de stof.

In de onderzoeken naar blootstelling aan propyleenglycol uit rookmachines wordt doorgaans niet beschreven welke kwaliteit de gebruikte propyleenglycol heeft; dit zou ook de zogenaamde ‘industrygrade’ variant kunnen zijn die, omdat deze minder zuiver is, ook meer irriterend zou kunnen zijn voor ogen of luchtwegen (zie ook de reactie van Frank Baeyens en Konstantinos Farsalinos op eerder onderzoek van het RIVM).

Nicotine

Voor de blootstelling aan nicotine uit uitgeademde damp kon het RIVM volgens het rapport niet putten uit eerder onderzoek. Er wordt aangenomen dat blootstelling aan uitgeademde nicotine leidt tot lichamelijke effecten, zoals een licht verhoogde bloeddruk en -hartslag. Dit blijkt echter een onjuiste aanname, zoals dr. Konstantinos Farsalinos al in 2014  aantoonde. Daarnaast is nicotine een stof die we allemaal via ons eten binnenkrijgen, dit geldt ook voor kinderen. Het kind op de achterbank in een auto en de collega op kantoor uit de twee scenario’s zullen dus te weinig nicotine binnen krijgen om hiervan effect te bemerken.

Vandaar dat het RIVM bij deze risicobeoordeling een hoop slagen om de arm houdt en het effect ervan voor de omstander vergelijkt met het drinken van ongeveer 3 kopjes caffeïnehoudende koffie. Dat doet de meerderheid van de bevolking dagelijks en geeft dus geen reden tot zorg.

Tabaksspecifieke nitrosamines (TSNA’s)

Het RIVM heeft ook vastgesteld dat er tabaksspecifieke nitrosamines (TSNA’s) kunnen zitten in de uitgeademde damp áls er e-vloeistof wordt gebruikt die deze stoffen in hoge mate bevatten. Men stelt dat deze stoffen tumorvorming kunnen veroorzaken bij inademing, gebaseerd op onderzoek naar tabaksrook.

Het RIVM geeft toe dat ze deze stoffen slechts in een paar e-vloeistoffen hebben aangetroffen, hierbij gaat het om tabakssmaken. Het is ironisch dat veel politieke partijen juist de fruit- en snoepsmaken willen verbieden die geen TSNA’s bevatten. Echter, volgens het RIVM worden schadelijke toevoegingen of verontreinigingen verboden in de Tabakswet. Overigens kunnen TSNA’s ook aangetroffen worden in nicotinekauwgum en andere medische tabaks-vervangers die bedoeld zijn om te stoppen met roken.

Van de andere stoffen kan het RIVM niet met zekerheid zeggen dat er risico is op schade voor omstanders, want de gemeten waardes ervan in uitgeademde damp waren of niet meetbaar, of te laag om er iets zinnigs over te kunnen zeggen.

Conclusie

Acvoda is van mening dat het RIVM op haar eigen manier zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. We zijn echter ook van mening dat het onderzoek overbodig was, aangezien er in het buitenland al diverse onderzoeken zijn gepubliceerd over ‘passief meedampen’. Geen van deze onderzoeken kwam tot alarmerende conclusies. Ook het onderzoek van het RIVM biedt geen wetenschappelijke aanleiding voor het instellen van een wettelijk dampverbod in publieke ruimtes.

Het onderzoek van het RIVM gaat uit van ‘worst-case’ scenario’s, maar het RIVM kon zelfs voor deze ‘slechtst denkbare situaties’ geen werkelijke schade vaststellen voor de omstanders. We hebben het onderzoek ook laten lezen door onze collega’s in Engeland en de reactie was als volgt:”They were unable to identify any risk, therefore, their synopsis is overly alarmist”. En daar zijn we het grondig mee eens.

– See more at: http://www.acvoda.nl/2016/07/13/passief-meedampen-reden-tot-zorg/#more-2158